Algemene kennis betreffende genealogie

In tegenstelling tot wat velen zouden kunnen denken zijn er veel meer personen met een familienaam afgeleid van Rogman. Pas sedert de invoering van de burgerlijke stand in 1796 ligt de schrijfwijze van een familienaam onherroepelijk vast en wordt deze ook nauwlettend gekontroleerd. Voordien zijn we aangewezen op de parochieregisters die de pastoors verplicht moesten bijhouden voor de dopen, huwelijken en de begrafenissen. Deze registers werden ingevoerd door het Concilie van Trente in 1563 maar het duurde in vele parochies tot lang na 1600 vooraleer deze registers effectief werden bijgehouden. De ervaring leert dat zeker in de 16de eeuw vele registers van bedenkelijke kwaliteit zijn. Ten eerste vergaten de pastoors nogal wat dopen, huwelijken en vooral veel begrafenissen in te schrijven, zeker als het om armere lieden ging. Rond 1800 werden alfabetische klappers opgesteld op deze parochieregisters waarbij weer gegevens verloren gingen en schrijffouten werden gemaakt. De schrijfvaardigheid van vele pastoors liet flink te wensen over. Sommige geestelijken waren het schrijven eigenlijk niet machtig en copiëerden schrifttekens, anderen krabbelden naar goeddunken in moeilijk ontcijferbaar ‘schrift’ de namen neer zoals ze die op hun gehoor afgaande dachten te kunnen schrijven. De betrokkenen waren meestal analfabeet en konden dus de schrijfwijze niet controleren, de pastoor zelf had ook meestal geen betrouwbare referentie om de schrijfwijze van een naam te verifiëren. Het resultaat is dat voor elke familienaam voor 1800 alle denkbare variaties in schrijfwijze voorkomen. Zo gaan sommige pastoors Rochman(s) of Roghman(s) schrijven i.p.v. Rogman(s). De naam deed hen aan het graanprodukt rogge denken en men maakte er Roggeman(s) van. Dat de naam uiteindelijk al dan niet op ‘s’ eindigt, is plaatsgebonden. In het Graafschap Vlaanderen bleef het Rog(ge)man zonder ‘s’, kenmerkend in het oude hertogdom Brabant is dat men vanaf een zekere periode een ‘s’ ziet verschijnen op het einde van vele familienamen. De invoering van de burgerlijke stand maakte een einde aan de eindeloze variaties in de schrijfwijze van familienamen. De burgerlijke stand neemt in de periode 1796-1800 de schrijfwijze over van de laatste versie in de parochieregisters. Aangezien die schrijfwijze kon verschillen van parochie tot parochie voor leden van dezelfde familie, ontstonden in de burgerlijke stand verschillen in schrijfwijze voor dezelfde familienaam. De Mechelse kern van de Rogmans-familie werd opgesplitst in ‘Roggemans’ in Mechelen en omgeving, terwijl men in de streek van Houtvenne ‘Rogmans’ behield.

 

Volkstellingen (overgenomen uit het werk van J.Meulemans)

In het aloude hertogdom Brabant werden reeds vroeg tellingen gehouden, die kunnen ingedeeld worden in twee reeksen. In grote lijnen omvatte het hertogdom Brabant de huidige provincie Vlaams-Brabant, Waals-Brabant, een groot gedeelte van de provincie Antwerpen, alsook de provincie Noord-Brabant (Nederland).

  • Brabantese tellingen tot in de 16de eeuw: deze zijn van 1374, 1437, 1467, 1472, 1480, 1492, 1496, 1526, 1548, 1553 en 1564. Deze tellingen verschilden van mekaar naargelang het doel dat beoogd werd. Die van 1374 telde het aantal inwoners en moest dienen als taksatie van de bevolking om belasting te betalen. Vanaf 1437 telde men de huizen (haarden) waarbij alleen het gezinshoofd getakseerd kon worden, in 1526 de afzonderlijke gezinnen, dit was meteen de laatste haardentelling. Door haard werd verstaan de woonplaats van een gezin volgens begrippen die eeuwen achter ons liggen. We vermelden hier dat onze bevolking verscheidene malen duchtig werd ontvolkt, zo bv. in 1346 door de zwarte pest of de "haestige sieckte". Ook in 1458 brak er pest uit in ‘t vlaams gedeelte van het kwartier Leuven, later nog eens van 1585 tot 1595. Hongersnood sloeg onverbiddelijk toe o.a. in 1438 en 1439. De tachtigjarige oorlog (1568-1647) was een rampzalige periode in de geschiedenis van ons land en onze gewesten. Ongeveer 1/4 werd slachtoffer van de zwarte pest. Kinderen stierven vooral aan kinderziekten o.a. de "kinderpocken", aan gebrek aan hygiëne en aangepaste voeding. Ca 50% bereikte de leeftijd van 20 jaar. Het normale sterftecijfer tijdens het Ancien Regime kan geraamd worden op 28 tot 38 per duizend. De levensverwachting bij de geboorte bedroeg in de 16de en 17de eeuw 25 jaar, in de 18de eeuw bijna 30 jaar, rond 1850 ca 36 jaar, rond 1900 ca 47 jaar, en thans ruim 70 jaar.
  • Brabantse tellingen in de 17de en 18de eeuw: De meest belangrijke zijn deze van 1693, 1709, 1755 en 1784. De eerste twee tellingen werden uitgevoerd in het raam van de graanpolitiek, om zulkdanige maatregelen te kunnen treffen, "...dat de vijand uitgehongerd worde...". Deze van 1755 was de eerste met werkelijke bedoelingen om het aantal mensen te kennen. Ze vermeldde de namen en zijn voor een genealoog van onschatbare waarde. Bij deze tellingen moeten wij nog deze van het Frans Regime en van het Verenigd Koninkrijk voegen. Op 10 Vendémiaire IV (2 okt. 1795) vaardigde de Nationale Conventie een wet uit over de ordehandhaving in de gemeenten. Hierdoor werd elke gemeente verplicht een lijst op te stellen van alle inwoners. Deze telling van het jaar IV is zeer belangrijk, het is de eerste telling die zoveel informatie bevat en die in principe in gans het land werd uitgevoerd.

 

Bestuurlijke instellingen in het "Ancien Regime" (J. Meulemans)

 

Daar wij toch in onze stamboom enkele voorvaderen ontmoetten die een belangrijke functie bekleedden, willen wij enkele van deze functies nader bespreken. Wij hebben hiervoor het boek "Faes" (Jozef Smits en Lodewijk Faes) geraadpleegd en het werk "Ramsel" (Karel Eyckmans).

  • De Schout of Drossard: Hoewel beide benamingen soms door elkaar gebruikt worden, is schout de oorspronkelijke benaming voor dit ambt en werd drossaard vooral vanaf de 17de eeuw gebruikt. De schout was de vertegenwoordiger van de heer van de heerlijkheid waartoe het dorp behoorde. Hij zat de schepenbank voor wanneer deze zich met de rechtspraak bezig hield en speelde tegelijk de rol van openbaar aanklager. In feite kunnen wij zijn functie vergelijken met deze van onze huidige burgemeester en daarenboven ook nog met die van voorzitter van een lokale rechtbank (vredegerecht).
  • De Meier: Deze functie is best te vergelijken met onze huidige veldwachter of politiecommissaris: hij spoorde boosdoeners op en kondigde de officiële mededelingen af.
  • De Vorster en de Schutter: De eerste bewaakte de bossen, weiden en velden en zorgde voor de bescherming van aanplantingen, groenten en oogst. De tweede stond in voor het toezicht op het vee. Uit deze beide taken ontstond later de garde-champetre of de veldwachter.
  • De Borgemeeester: Deze functie was in niets te vergelijken met de taak van de huidige burgemeester. "De borgemeester" had als opdracht de opgelegde belastingen te verdelen over de bevolking en deze ook te innen.
  • De Schepenen: Een van onze voorouders was schepen in 1680. De schepenen gewoonlijk 7 in aantal, vormden samen met de drossaard het dorpsbestuur, bevoegd in wettelijke en gerechterlijke aangelegenheden. De instelling heette "schepenbank". Hun besluiten werden vastgelegd in zogenaamde schepenprotocollen, die grotendeels betrekking hadden op de verkoop van goederen, opname van renten en dergelijke, te vergelijken met onze huidige notariële akten. De schepenen konden ook vonnissen vellen bij huurgeschillen, betwistingen over grensscheidingen en andere kleine misdrijven.
  • De Poorter, De Borger: Sommige personen mochten zich hetzij poorter of borger noemen. In feite was het een titel die toegekend werd aan mensen met een zeker aanzien en waardoor deze van bepaalde privilegies genoten. De poorters werden vermeld in de poortersboeken. Ook enkele leden van deze stamboom mochten zich poorter noemen.

 

Wanneer werd de pen uitgevonden? (Bewerking uit Vlaamse Stam 1985)

De oudste geschriften werden geschreven met een ganze- of zwanepen die met een heel klein "pennemesje" werd aangescherpt en gespleet. Om de twee of drie woorden werden ze in zelfgemaakte inkt gedoopt. Dit duurde tot de metalen pen werd uitgevonden, in het begin van de 19de eeuw. Wellicht werden er ook vulpennen gebruikt. De oudst bekende vulpen dateert van 1562. Nochtans eerst in de jaren 1920 beleefde de vulpen een doorbraak in de schrijfgewoonten. De eerste schrijfmachine werd in de jaren 1860 uitgevonden door Philip Remington (1816-1889). In Antwerpen werden aktes reeds in de jaren 1920 getijpt, in sommige gemeenten gebeurde dat pas vanaf de jaren 1950. Momenteel worden vele aktes met de computer opgesteld.

 

Konden onze voorouders schrijven?

Betreffende de intellectuele ontwikkeling van de oudste naamdragers is niets bekend. De oudste bronnen wijzen er wel op dat de Rogman’en toen eigendommen kochten en hier en daar toch bepaalde functies uitoefenden. In die tijd betekende dat toch dat ze snugger genoeg waren om zich van het gewone volk te onderscheiden. De notarisakte van 1617 betreffende Simon Rogmans draagt wel de merktekens van onze voorouders, maar geen handtekeningen. In 1680 was een Jan Rogmans wel lid van de Schepenbank van O.L.V.Waver, hij behoorde derhalve tot de zeven wijze mannen van het dorp mede omwille van zijn bezittingen als groot eigenaar. Schrijven kon deze Rogmans niet want hij ondertekende aktes met een kruisje. In de periode 1779-1798 was 60% van de landelijke bevolking analfabeet. De tak O.L.V.Waver-Putte-Houtvenne kende een gunstigere ontwikkeling en was reeds vroeg in de 18de eeuw het lezen en schrijven machtig. De tak van St.Kat.Waver-Bonheiden daarentegen geraakte het schrijven pas machtig vanaf de na 1820 geboren generatie. Hier ligt wellicht de oorzaak van het feit dat de burgerlijke stand te St.Kat.Waver, Mechelen en Bonheiden vanaf 1800 de naam Roggemans invoerde terwijl enkel de tak van Houtvenne de naam Rogmans blijft behouden, wellicht omdat zij de schrijfwijze van hun naam konden verifiëren. Rond Mechelen was vrijwel het ganse nageslacht van Simon Rogmans na 1800 gedegenereerd tot doodarm uitgebuit arbeidersvolk.

 

Hoe trouwden onze voorouders?

Wij hebben het hier niet over het feestvieren, dat vroeger evenals nu, met huwelijken gepaard ging: tal van schilderijen en prenten tonen dit overduidelijk aan. In de XVIIde en XVIIIde eeuw na de decreten van het Concilie van Trente in 1563 kunnen wij op bovenstaande vraag samenvattend antwoorden als volgt. Zeer officieel greep een verloving plaats, in de kerk, voor pastoor en getuigen, allicht voor (of misschien na) de parochiemis, op een zon- of feestdag. Wanneer de bannen (de drie roepen) afgeroepen waren, werd het huwelijk ingezegend door de pastoor van één der twee gehuwden, en publiek, dit is in aanwezigheid van twee getuigen. Het kwam veel voor dat deze twee getuigen de vaders waren van de bruid en de bruidegom, dat hebben we tijdens onze opzoekingen vaak vastgesteld.

De "sponsalia" (verloving) werd met veel zorg geregistreerd door de pastoor. Vanaf de verloving waren de twee verliefden "sponsus" en "sponsa" tot de dood met elkaar verbonden. Het werd de parochies opgedragen, nauwkeurig en met grote vlijt te onderzoeken of beide huwelijkskandidaten uit vrije wil met elkaar zullen trouwen en of er geen huwelijksbeletselen zijn. De inzegening van het huwelijk volgde dan op een geschikte dag volgens het "Rituale romanum". De getuigen bij het huwelijk waren niet altijd dezelfde als deze bij de verloving. De kerk zegende geen huwelijken in tijdens de advent en de vasten, tenzij na een speciale permissie. Het huwelijk werd bijna overal gesloten in de parochiekerk van de bruid, alhoewel wij hier toch vele uitzonderingen hebben op gevonden bij onze voorouders. In de 18de tot 19de eeuw waren de mannen gemiddeld iets ouder dan 29 jaar bij hun huwelijk terwijl de vrouwen gemiddeld 25 jaar oud waren.

De doopheffers:

Zonder algemene regel te zijn is het toch vaak de gewoonte dat de peter van het eerste kind de grootvader langs vaderszijde, en de meter de grootmoeder langs moederszijde is. Bij volgende geboortes kunnen de rollen worden omgekeerd en/of komen ooms en tantes aan de beurt. Als de peter en de meter geen naamgenoot is, dan mag verondersteld worden dat de vader een enige zoon is en laattijdig gehuwd, dat er ruzie is in de familie, dat het echtpaar niet van de streek is, of dat peter of meter niet tijdig zijn kunnen verwittigd worden, gezien de haast waarmee het doopsel werd toegediend. In dit laatste geval trad iemand op in naam of in de plaats van de eigenlijke meter (in loco of nomine) of "per procuratorem".

 

Enkele begrippen uit de periode van het Ancien regime:

Muntstelsel: de meest gangbare munt was de gulden. Deze was verdeeld in 20 stuivers en één stuiver vertegenwoordigde 4 oortjes. De schrijfwijze gebeurde in drie vakjes: 3-10-2 gl is 3 gulden, 10 stuivers en 2 oortjes.

Inhoudsmaten: als korenmaat werd in onze streken meestal het "meuken" gebruikt wat overeenkwam met een inhoud van 21,625 liter. Er was ook het viertel met een inhoud van vier meukens of 86,499 liter.

Oppervlaktematen:

  • 1 bunder = 1,31 hectare (13100 m2),
  • 1 gemet(h) = 1/3 bunder= 44 are (4400 m2),
  • 1 vierendeel = 1 sille (in de volksmond "zul") = 1 dachwant= 1 dachmael = 1/4 bunder = 100 roeden = 32 aren (3200 m2 )
  • 1 roede= 1/400 bunder of 0,32 are (32 m2)

Gewichten:

  • 1 pond = 430 gram = 0,43 kg
  • 1 ons = 1/16 pond = 27 gram

Lonen: In de periode 1734-1790 werden een tiental dagloners gevolgd uit diverse beroepen gaande van gewone grondwerkers tot meer gespecialiseerde werklieden: timmerlieden, bezetters, en schaliedekkers. De lonen varieerden van 8 tot 17 stuivers per dag. Wat bijzonder opvalt is de stabiliteit van de lonen: de bakker vroeg 12 stuivers voor het bakken van een viertel koren gedurende de ganse periode van 1691 tot 1800. Een onderwijzer of koster verdiende 91-9-2 gl per jaar. Een pastoorsmeid: 34-0-0 gl per jaar maar die kreeg elk jaar een nieuwjaar en een hemd bij het indiensttreden. Wat de pastoor verdiende kon toen, zoals nu nog steeds, niet met zekerheid bepaald worden dank zij hun geheime boekhouding. Zelfs de fiscus kan daar in deze tijd nog niet achter komen.

Prijzen: Een meuken roggemeel kostte in 1691 1-10-0 gl en in 1789 1-2-0 gl. In 1774 troffen wij bij ons voor het eerst "potaten" aan. De prijs van de aardappelen bedroeg in het jaar 1789 tien stuivers voor een meuken. Andere voedingswaren rond 1750:

    • 1 pond varkenvlees : 0-2-0 gl.
    • 1 pot bier : 0-2-0 gl.
    • 1 pot wijn : 0-12-0 gl.

Schoeisel: De prijs van een paar "klonen" bleef gedurende de 18de eeuw onveranderd: 0-3-0 gl (dit zou in onze munt ongeveer 3 € (Euro) zijn). De waarde van de huizen was moeilijk te bepalen, wel van de landbouwgronden. In 1787 had een bunder landbouwgrond een waarde van 354 tot 560 gulden. De huurprijs per bunder bedroeg in 1688 32 gl, in 1744, 15 gl en in 1774 22-5-0 gulden. Wat vroeger ook zwaar doorwoog in het budget van iedereen waren de brandstoffen: hout om eten klaar te maken en "rus" (turf) voor de verwarming. In het jaar 1744 verbruikte de pastorie van Houtvenne voor 20 gulden brandstof. De volkstelling van 1755 vertelt ons iets meer over de levensstandaard van onze voorouders. Er waren op dat ogenblik in Houtvenne 67 gezinnen met een totale bevolking van 325 personen, 39 huishoudens hielden zich geheel of voor het grootste gedeelte bezig met de landbouw. Opvallend in deze telling zijn de sukkelaars. Zo waren er bij de boeren 10 bestedelingen in dienst; hun lot was verre van benijdenswaardig. Elf gezinnen, waaronder twee boerenfamilies, leefden van de "tafel van de H. Geest" (armen). Deze behoeftigen vertegenwoordigden één zesde van de totale bevolking.

Chijns en rente: Chijns was in feite een belasting die aan "de heer van de heerlijkheid" moest betaald worden. Wij zouden het kunnen vergelijken met onze huidige grondbelasting (onroerende voorheffing) op onze eigendom die wij aan de staat moeten betalen. Rente kan het best vergeleken worden met een "servitude", een last die op een eigendom weegt en die bij verkoop van een eigendom door de nieuwe eigenaar mee moet overgenomen worden. Zo kon iemand een rente heffen op een bepaalde eigendom, m.a.w. een geldelijk recht hierop leggen. De eigenaar moest jaarlijks of periodisch een zeker bedrag betalen aan de genieter. Dit recht (rente) bleef de eigendom bezwaren en kon gekocht of verkocht worden.


Bron: Jos Meulemans bewerkt door webmaster Best viewed 1024 x 768